Otto Ketting – een biografie in wording (2)

Op donderdag 18 augustus 1955, tussen één minuut na middernacht en veertien minuten over een, noteert de 19-jarige componist Otto Ketting te Amsterdam het eerste deel van wat gedurende de volgende driekwart jaar tot een zevendelig pianowerk zal uitgroeien. Wals staat erboven en ook: ‘in het 12-toon systeem’. Het is zijn eerste officiële poging om te componeren volgens de regels van Schönbergs Methode der Komposition mit zwölf nur aufeinander bezogenen Tönen.

Hoewel Ketting in zijn latere leven de gegevens van zijn oeuvre nauwkeurig bijhield – van elk stuk noteerde hij onder meer de exacte datum van voltooiing – heeft hij plaats en tijd van genese nooit meer zo precies gefixeerd als in het geval van deze Wals. Tot op zekere hoogte is een dergelijk vereeuwigen van de scheppingsdaad van dezelfde mythomane orde als de bij kinderen populaire manier van adresseren die begint met een straatnaam en eindigt met ‘heelal’. Toch is hier meer aan de hand. De jonge componist was zich ervan bewust dat hij in dit pianostukje iets deed wat hij nog nooit had gedaan: hij betrad terra incognita.

Met Schönberg was in 1951 de grondlegger en langstlevende componist van de Weense school gestorven, maar anders dan in omringende landen (denk aan Boulez, Stockhausen, Nono, Goeyvaerts) deinsde in Nederland het toondichtend deel der natie vooralsnog in meerderheid terug voor een Auseinandersetzung met diens nalatenschap. Zeldzame uitzonderingen waren Kees van Baaren en zijn leerling Theo Bruins, die zich in 1952 beiden met dodecafonisch georiënteerde composities presenteerden, de eerste met een Septet dat nog sterk naar Pijper klonk, de laatste met een pianoconcert. Dat pianoconcert maakte grote indruk op Ketting, die getuige was van de Amsterdamse première. Jaren later beschreef hij zijn ‘verbijstering voor de lef dat iemand zoiets durfde te schrijven’. Zelf was hij pas drie jaar later zo ver, ‘zij het met een bang gemoed en bevend hart.’ Dat was dus die achttiende augustus 1955, tussen 0.01 en 1.14.

De auteur van de Wals was geen beginneling meer. Componeren deed hij al vanaf zijn veertiende, aanvankelijk vooral stukjes met Franse titels. In het dagboek dat hij op zijn zestiende bijhield maakte hij niet alleen melding van het wel en wee op het Amsterdamse Barlaeus Gymnasium maar ook van de composities die hij onder handen had – een stuk voor strijkorkest, houtblazers en slagwerk bijvoorbeeld, maar ook een instrumentatie van een walsje van Poulenc, waaraan hij ter actualisering enkele moderne akkoorden heeft toegevoegd. Een jaar later al, op zijn zeventiende, voltooit hij zijn officiële opus 1, Preludium en fuga, dat in 1957 samen met een niet veel later voltooide Fuga wordt uitgegeven door Donemus. En nog maar enkele maanden vóór het twaalftoonwalsje zette hij de dubbele streep achter zijn eerste orkestwerk (opus 4), een Sinfonietta waarvan zijn vader Piet Ketting tussen november 1954 en november 1955 met zijn Rotterdams Kamerorkest zes uitvoeringen geeft.

In de daaropvolgende jaren is het hard, heel hard gegaan met de dodecafonie en het daaruit voortvloeiende serialisme, ook in Nederland. Ketting zelf hield het al gauw voor gezien. Hij had aan alle drie de componisten van de Weense School op soevereine wijze eer bewezen – aan Webern in Due canzoni, waarmee hij in 1958 de Gaudeamus-prijs won, en een jaar later aan Alban Berg in zijn Eerste symfonie – maar aan het strenge, reeks op reeks op reeks stapelende serialisme waarin de Europese avant-garde de principes van Schönberg veralgemeniseerde had hij weinig boodschap.

Geen mooier bewijs van de scepsis waarmee hij de almaar duizelingwekkender luchtkastelen en spiegelpaleizen bezag waarin vele van zijn generatiegenoten zich verschansten, dan de hilarische felicitatie die hij op 4 juni 1961 aan Louis Andriessen stuurt. Brian Ferneyhough (voor wie de naam nog wat zegt) had er nog een puntje aan kunnen zuigen.

The Apollonian Clockwork Rewound

Elmer Schönberger, ‘The Apollonian Clockwork Rewound’
in: Stravinsky in Context, edited by Graham Griffiths, Cambridge University Press, december 2020

A reflection on The Apollonian Clockwork. On Stravinsky
by Louis Andriessen and Elmer Schönberger, (Oxford 1989), p.6.

 

In the long term all art is doomed to become only a matter of taste. One simply likes or dislikes and, depending on one’s musical literacy, it’s possible to substantiate one’s preferences. If we were, at this point in history, to characterise Brahms’s music as did Hugo Wolf in 1890, as ‘die Melancholie des Unvermögens’ (the melancholy of inability), we would appear rather foolish. Exactly the same would apply today if listeners, whether professional or amateur, were to concur with the music critic Pierre Lalo who judged The Rite of Spring to be the quintessence of ‘the cult of the wrong note’. After a composer’s death all polemics about the significance of his music inevitably gradually diffuse; differing views wither away and turn into differing tastes. In due time broad consensus is achieved on the composer’s importance, as reflected in concert repertoire, programme notes and newspaper reviews. Individual but also national tastes may differ, but, when it comes to Stravinsky, Petrushka and The Rite are canonic and broadly admired, Apollo and Orpheus are OK, Canticum Sacrum and Threni are at least respected, though hardly loved. While shifting cultural values will have their mark on the pecking order within his oeuvre (e.g. his so-called neoclassical works currently seem to enjoy higher esteem than thirty or more years ago), the composer has achieved a solid and undisputed place in the Great Masters’ hierarchy. Public debate as to the qualities of his music has petered out. (…)

Otto Ketting – een biografie in wording

Otto Ketting – een biografie in wording
OK portret FSSommige eerste keren vergeet je niet meer. Het was een zondagmiddag in 1973 en ik was per Lelijke Eend van Utrecht, waar ik woonde en studeerde, naar het Amsterdamse Concertgebouw gereden om daar Arthur Rubinstein het Vierde pianoconcert van Beethoven te horen spelen. Tenminste, ik denk dat het zo is gegaan, want ik kan me niet voorstellen dat ik de reis speciaal voor Pas de deux van Otto Ketting had ondernomen. Ik was weliswaar bovengemiddeld geïnteresseerd in hedendaagse muziek maar had nog nauwelijks een beeld van de muziek van Ketting.

Toch is Pas de deux het stuk waarom het concert mij altijd is bijgebleven. Sterker nog, toen ik een paar jaar geleden probeerde te achterhalen wanneer ik het stuk – voor het eerst en voor het laatst, want een plaat- of cd-opname is er nooit van gemaakt – had gehoord, was ik totaal vergeten dat Rubinstein die middag had gespeeld. Pas de deux, een stuk dat Ketting in 1961 op zijn vijfentwintigste had gecomponeerd, was de knock out van het concert. Dat de jongen op het moment dat hij al die enerverende noten bij elkaar verzon maar twee jaar ouder was dan ik toen ik daar op het puntje van mijn stoel zat, vond ik onvoorstelbaar. En dat vind ik nog steeds.

Fysiek als Stravinsky, vernuftig als Webern, direct als jazz. Zo heb ik me de muziek altijd herinnerd.

schets Pas de deux
fragment uit de particel van Pas de deux

Bijna een halve eeuw later sta ik op het punt een biografie van Otto Ketting af te ronden. Over de titel denk ik nog na. Ketting zelf had het over ‘dat ene liedje’. Over hoe hij altijd weer bezig was dat ene stuk te maken. Het zou een mooie titel zijn, maar een die verkeerde verwachtingen schijnt te wekken. Het minste wat ik kan zeggen over het werk aan het boek is dat ik me werkelijk geen seconde heb verveeld gedurende de vier jaar van onderdompeling in de wereld van Ketting. Met grote gretigheid heb ik me in zijn 134 composities verdiept, partituren gelezen, opnamen beluisterd, en met stijgende verbazing vastgesteld dat van wat ooit een van de meest gespeelde Nederlandse componisten was nauwelijks nog een noot klinkt. Jongens, luister nou toch eens naar Due canzoni, Collage no. 9, Set of pieces for wind quintet, For moonlight nights, The light of the sun, Summer moon, De aankomst, Monumentum, Capriccio, Vierde symfonie, Zesde symfonie, Time Machine en dus Pas de deux en de Eerste symfonie niet te vergeten. Ik hoop in de biografie goede redenen voor een revival te geven.

Toen Ketting in 1997 door Het Parool werd geïnterviewd naar aanleiding van een groot retrospectief dat in Den Haag aan zijn oeuvre werd gewijd, blikte de 62-jarige componist terug op een oeuvre waarvan de teller toen op 110 stond. Over een bescheiden aantal van zo’n dertig stukken oordeelde hij: ‘Beter had ik het nooit gekund’. Als hij van één stuk nog steeds épris was, dan was het zijn Eerste symfonie, in 1959 op 23-jarige leeftijd voltooid: ‘Dat ik dát toen heb kunnen maken’. Hij was de eerste noch de laatste om zich te verbazen over zowel de gekundheid als de muzikale potentie van het werk. In het door de leerlingen van Willem Pijper gedomineerde muziekklimaat was de symfonie met haar zinderend expressionisme in de geest van Alban Berg letterlijk ongehoord.

Het kan niet anders of Ketting rekende tot die dertig stukken ook Pas de deux, tenzij hij het gewoon vergeten was. Onbegrijpelijk, maar sinds die uitvoering in 1973 was het nog maar één keer in Nederland op het repertoire genomen. Toen ik het in 2017 voor het eerst terughoorde, nu in de vorm van een digitale kopie van een oude, enigszins gammele radioregistratie, was ik meteen weer 23 en kon ik het volledig eens zijn met degene die toen in de zaal zat.

Inderdaad. Fysiek als Stravinsky, vernuftig als Webern, direct als jazz.

Een componistenbiografie is ook de biografie van een oeuvre. Over dat oeuvre kan men buitenmuzikale vragen stellen, zoals de criticus-componist Marius Monnikendam deed naar aanleiding van een uitvoering van de Eerste symfonie in 1964 door het Residentie Orkest. ‘Welke tragiek heeft zijn jeugdjaren doorkruist om tot deze donkere orkestrale en muzikale regionen af te dalen?’

Lastige kwestie. Het leven van een componist speelt zich vooral in zijn hoofd en op papier af. Daarin verschilt hij niet van de schrijver, maar de relatie die de literatuur tot wat we de ‘werkelijkheid’ noemen onderhoudt, laat zich, hoe dubbelzinnig ook, aanmerkelijk beter beschrijven dan die tussen de muziek en de wereld waarin zij tot stand komt. Maar toch. Die Eerste symfonie is niet alleen het werk van een groot muzikaal talent maar ook van een jongen die is opgegroeid in wat tegenwoordig een disfunctioneel gezin heet. Zoon van een vader, eveneens componist, die in mei 1945, enkele dagen na de bevrijding, het huis in Amsterdam verlaat en bij zijn vriendin in Rotterdam intrekt. Een jongen die binnen de kortst mogelijke keren voor twee jaar naar een kindertehuis wordt gestuurd (een ‘gesticht: Dickens, te Noordwijk’), daarna wordt toegewezen aan zijn moeder die hem op zijn zenuwen werkt, en ten slotte op zijn zeventiende van huis wegloopt om zijn intrek te nemen bij zijn grenzeloos bewonderde vader.

‘Dat soort confrontaties en belevenissen moet toch wel op de een of andere manier mijn smaak als componist en muzikant mede bepaald hebben’, liet de niet erg tot autobiografische duiding geneigde componist zich eenmaal ontvallen. Ja, op de een of andere manier. Het mooie van muziek is dat zij een nog zo gedetailleerd verhaal kan vertellen over de componist en zijn al dan niet getroebleerde ziel, zijn financiële zorgen, zijn gezondheid, zijn opdrachtgevers, zijn vertolkers en niet te vergeten zijn muzen – zodra het voltooide werk tot klinken komt, zal het zich, als het echt de moeite waard is, steeds meer loszingen van zijn pijnlijke of juist voorspoedige genese en geleidelijk het karakter van een mededeling van elders krijgen – dat geheimzinnige elders van de kunst, dat als het erop aankomt echter is dan het leven.

Luister ter kennismaking naar Time machine, gecomponeerd in 1972, ooit de eerste grote hit van de nieuwe Nederlandse muziek, een werk waarvan geen noot verouderd is. Otto Ketting dirigeert het Concertgebouworkest in Time Machine (1974).

De biografie van Otto Ketting zal verschijnen bij uitgeverij Prometheus in Amsterdam.

nieuwe opnamen / new recordings

Te beluisteren op o.a. Spotify en te koop op iTunes:

DCV 288
Elmer Schönberger
La fuga del tempo
Marcel Beekman & Nieuw Amsterdams Peil

 

 

DCV 305
Elmer Schönberger
Gezien Hercules Segers
Charlotte Riedijk, Doelen-Ensemble & Arie van Beek

 

 

DCV 287
Elmer Schönberger
L’ombra
Calefax Reed Quintet

 

Gezien Hercules Segers

première
Gezien Hercules Segers (2019)
voor sopraan en instrumentaal ensemble

12 maart 2020 in De Doelen in Rotterdam
Charlotte Riedijk, sopraan, DoelenEnsemble o.l.v. Arie van Beek

koop hier tickets

Een concert over beeldende kunst (Stravinsky, Feldman, Knussen), over oude muziek (Stravinsky, Ketting, Knussen) en over beide in het nieuwe werk van Elmer Schönberger.

Gezien Hercules Segers is na Gezien Giacometti mijn tweede, expliciet op beeldende kunst geïnspireerde compositie. Gezien Giacometti (2015) was een dansconcert met een choreografie van Beppie Blankert. In Gezien Hercules Segers geen dans, wel live beeld, naar een idee van Marijke van Warmerdam en Menno Otten.

Evenmin als ik heb geprobeerd in Gezien Giacometti Giacometti-achtig (wat dat ook moge zijn) te componeren, heb ik er in Gezien Hercules Segers naar gestreefd de even volle als lege landschappen van Segers in klank om te zetten. Kunst waarmee ik mij ten diepste verbonden voel, is kunst om in te verdwijnen. Het Segeriaanse landschap is zulke verdwijnkunst. Van dat verdwijnen wordt, hoop ik, wel iets voelbaar in mijn muziek.

Hercules Segers
Hercules Segers, oudere tijd- en stadgenoot van Rembrandt en Sweelinck, staat te boek als de meest oorspronkelijke en innovatieve landschapskunstenaar van zijn tijd. Als etser is hij de schepper van een geheimzinnig oeuvre, dat met zijn aan abstractie grenzend realisme culmineert in onbestaanbare landschappen. Zoals Segers’ componerende tijdgenoot Carlo Gesualdo da Venosa tot diep in de twintigste eeuw een bron van inspiratie voor componisten was, zo was Segers dat vooral voor beeldende kunstenaars en schrijvers, onder wie de Russisch-Franse schilder Nicolas de Staël en de Nederlandse dichter Hans Faverey.

Programma
Gezien Hercules Segers wordt uitgevoerd in een programma dat zich beweegt tussen oude muziek en beeldende kunst. Stravinsky en Louis Andriessen voegden aan Bachs driestemmige Prelude in b klein uit het Wohltemperierte Klavier dl. 1 een vierde stem toe; Otto Ketting wierp in Quodlibet een schaduw over de middeleeuwen; Oliver Knussen ontleende in Upon one note meer dan alleen de titel aan Purcell en liet zich in Reflection inspireren door Gauguin; Willem de Kooning gaf zijn achternaam aan De Kooning van Morton Feldman; en Stravinsky’s Double canon is een in memoriam voor Raoul Dufy.

Segers bezongen
In Gezien Hercules Segers leg ik sopraan Charlotte Riedijk teksten over Segers van zowel Nicolas De Staël als Hans Faverey in de mond en laat de musici van het DoelenEnsemble reflecteren op de wereld van de etser. De acht delen van de compositie dragen titels van evenzoveel etsen:

1 Landschap met een steile rots, grote versie
2 Dal omringd door bergen, eerste staat
3 Rotsachtig landschap met een wandelaar, eerste versie
4 Landschap met een steile rots, kleine versie
5 Rotsachtig landschap met een kloof
6 Dal omringd door bergen, tweede staat
7 Rotsachtig landschap met een man die een stok over zijn schouder draagt
8 Lariks

De delen 1, 3 en 6 zijn instrumentaal. Deel 3 is een soort eendelig minivioolconcert en deel 6 gaat uit van Fantasie 6 van J. P. Sweelinck.

Parallel (of niet)
Van enige formele parallel tussen mijn compositie en Segers’ etsen is uitsluitend in de instrumentale delen sprake. Ik ben mij ervan bewust dat tijd en ruimte fundamenteel anders worden waargenomen, en dat ruimtelijke verhoudingen (die zich in één blik kunnen openbaren) en tijdsverhoudingen (die met terugwerkende kracht gestalte krijgen) ongelijksoortig zijn. Maar dat wisten Bach, Schönberg, Berg, Bartók en Stravinsky ook al.

Omdat weinig de inventie zo op de proef stelt als restrictie, heb ik mij er dus niet van laten weerhouden de proporties van de delen 1, 3 en 6 tot op het niveau van maten en tellen te laten bepalen door de afmetingen van de in de titels genoemde etsen, resp. 7:10, 7:9 en 5:9.

In het zesde deel is dit direct aan de oppervlakte van de muziek waarneembaar. Hier wisselen gebonden, d.w.z. direct op Sweelinck geënte passages, en vrije passages elkaar af, steeds in een tijdsduurverhouding van 5:9.

Met dank aan
Mireille Cornelis, Huigen Leeflang (Rijksmuseum Amsterdam), Menno Otten en Marijke van Warmerdam, Neil Wallace, Masa Spaan, Concert- en congresgebouw De Doelen en het DoelenEnsemble.
Tekst
De teksten in deel 2, 4, 7 en 8 zijn ontleend aan: ‘Tombeau d’Hercules Seghers’, in: Nicolas de Staël, Lettres 1926-1955 (Ed. Le Bruit du temps, 2014).
Het gedicht ‘Rotslandschap met scheepstakelage’ dat in deel 5 wordt gezongen is ontleend aan de bundel Lichtval van Hans Faverey (De Bezige Bij, 1981).
Opdracht
Gezien Hercules Segers is tot stand gekomen met financiële ondersteuning van De Doelen te Rotterdam en het DoelenEnsemble.

cd Gezien Giacometti

In het seizoen 2015-6 speelde het ‘dansconcert’ Gezien Giacometti, een productie van Beppie Blankert Dansconcerten en Nieuw Amsterdams Peil. De voorstelling opnieuw zien kan (nog) niet, de muziek opnieuw beluisteren wel.

Het label Attacca heeft ons in staat gesteld een cd te maken van mijn compositie Achttien dagen, die aan de voorstelling ten grondslag lag. Voor een componist is het een buitenkans een stuk op te nemen dat zo vaak gespeeld is en dat de musici zich daardoor zo eigen hebben kunnen maken. Dat geldt ook voor de tweede compositie op de cd, het viool-pianoduo Schrap, dat sinds 2002 vaak op de programma’s van Heleen Hulst en Gerard Bouwhuis heeft gestaan.

Gezien Giacometti
Schrap (2002) 11:06
Heleen Hulst: viool Gerard Bouwhuis: piano

Achttien dagen (2013) 41:49
Nieuw Amsterdams Peil
Heleen Hulst: altviool
Lars Wouters van den Oudenweijer: klarinetten
Michiel Weidner: cimbaal
Noè Rodrigo: percussie
Dario Calderone: contrabas

meer informatie
bestel online

Brieven aan Maurice

Reprise Maurice chéri

 

 

 

 

 

 

 

17 maart, 20.15 De Doelen, Rotterdam

Lucas & ArthurJussen, piano, Cora Burggraaf, mezzosopraan
Elmer Schönberger Maurice chéri
werken van Debussy en Ravel

m.m.v. Raúl Suárez, viool Jonathan Roozeman, cello
meer informatie

Première Caliban sings

The Tempest – Part II

 

 

 

 

 

 

 

17 februari, 20:15 De Doelen, Rotterdam

Vivaldi/Schönberger
 Tempo impetuoso d’estate sull’esempio di Vivaldi (première)
Elmer Schönberger Caliban sings (première)
Ernest Chausson Chants d’Ariel (bew. Elmer Schönberger)
Elmer Schönberger Nobodyes gigge – Variations on a theme by Richard Farnaby (ca.1594-1623) (première)
Igor Stravinsky Three songs from William Shakespeare
Elmer Schönberger Solemn and strange music (première)

DoelenEnsemble
Maarten van Veen, dirigent
m.m.v. Cora Burggraaf, mezzosopraan
Paul Hoes – Caliban
Porgy Franssen – Prospero
Zineb Fallouk – Ariel (op film)
Jos Groenier, regie
Joost Gulien, beeld
Uri Rapaport, licht

meer informatie