Otto Ketting – een biografie in wording (3)

Otto Ketting, 1953

Halverwege Gestold koraal, het filmportret dat Kees Hin in 1996 van zijn lijfcomponist en vriend Otto Ketting maakte, laat de componist op een oude slingergrammofoon een 78-toerenplaatje horen van een van de schoolbandjes waarin hij trompet heeft gespeeld. Het is The Crazy Rhythm Boptet, de band van het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam. Een van de nummers die de jongens op 13 december 1952 in Klankstudio Pekel, Mathenesserlaan 392 te Rotterdam, hebben laten opnemen, is een eigen compositie van Otto, Boogie Riff.

Krap tien jaar later – hij is pas 26 maar al doorkneed in zowel de amusements- als symfonische praktijk – neemt hij definitief afscheid van zijn instrument, maar dankzij Kees Hin kunnen we hem nog altijd die ene solo horen blazen. In de documentaire zien we de zestigjarige componist met een mengeling van geamuseerdheid en vertedering naar zijn 43 jaar jongere ik luisteren. Hij had zichzelf als improvisator ‘niet zo best’ gevonden, maar er wel volop van genoten om als zeventienjarige op het podium te staan. Stel je voor, ‘niet meer dan drie noten kunnen spelen en dan merken dat het toch overkomt’. In The Crazy Rhythm Boptet speelde ook de jonge Hans Sleutelaar, dezelfde die later als een van de ‘Zestigers’ furore zou maken met het eenregelige gedicht ‘Wollt ihr die totale Poesie?’. Met z’n Stan Getz-achtige sound was Sleutelaar volgens Ketting eigenlijk de enige die om aan te horen was.

still uit ‘Gestold koraal’ van Kees Hin

Toen het plaatje werd opgenomen zat Otto nog maar kort op het Erasmiaans Gymnasium. Eerder dat jaar was hij bij zijn vader in Rotterdam ingetrokken en had hij zijn moeder en de stad Amsterdam de rug toegekeerd. Ook op zijn Amsterdamse school, het Barlaeus Gymnasium, had hij in de schoolband gespeeld. The Continentals noemden ze zich, geheten, naar het populaire, bijna gelijknamige nummer van George Shearing.

Gedurende de laatste maanden op het Barlaeus hield Otto een dagboek bij. Hij noteerde zijn lievelingscomponisten (Bach, Mozart, Haydn, Debussy, Ravel, Stravinsky, Pijper), deed verslag van composities die hij op papier probeerde te krijgen en memoreerde ‘de soms zeer redelijke prestaties’ van de schoolband. Geen twijfel dat zijn hart bij de gecomponeerde muziek lag, maar de jazz trok hard aan hem. Niet toevallig droeg hij het eerste deel van zijn officiële opus 1 – Praeludium en fuga 1952, het werk van een gymnasiast – aan de ‘hevig bewonderde’ bebop-pianist George Wallington op.

Een goed jazznummer was hem liever dan een slechte symfonie, zou het Algemeen Dagblad nog in 1965 uit zijn mond noteren. Dat Miles Davis en Stan Kenton zijn helden waren, verbaast niet. In de karakteristieke, door blazers gedomineerde Ketting-sound resoneert zijn liefde voor bigband. Wie weet had de coda van Time Machine wel anders geklonken als hij niet op 5 februari 1972, een maand voordat hij het stuk voltooide, in het Amsterdamse Concertgebouw dat ene concert van Kenton had bijgewoond.

Al in 1961 was het muziekcriticus Rutger Schoute in zijn recensie van Kettings orkestwerk Pas de deux opgevallen dat de tutti van koperblazers vele klanken bevatten ’die in de grote bezetting van Stan Kenton en Miles Davis niet uit de toon zouden vallen’. Wie de schetspagina van Pas de deux, zoals weergegeven in de eerste aflevering van deze Ketting-blogs (22 december 2020), goed bekijkt, ziet helemaal rechtsboven de woorden “jazz”-inlas staan. Een blik op de definitieve partituur leert dat zes maten met blokakkoorden voor trompetten en trombones het jazzy extraatje vormen waar de componist op dit punt van het werk kennelijk behoefte aan had.

Zo vreemd is het dus niet dat het grote publiek, toen Otto Ketting een maand eerder in het veelbekeken NCRV-programma Muziek voor u! zijn televisiedebuut maakte, hem niet als componist van ‘kunstmuziek’ maar van sappige bigbandklanken leerde kennen. Première heette het stuk en de 26-jarige componist dirigeerde het zelf. Het was vooralsnog de eerste en de laatste uitvoering maar in het Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum is de zestig jaar oude opname nog altijd te zien en te horen.

Pi Scheffer en Otto Ketting in ‘Muziek voor u!’4 november 1961

Er zou in de loop der jaren nog veel jazz, “jazz”, jazzyness klinken bij Ketting, direct en indirect, als stijlcitaat en als echo, met als uitersten de mellow klanken van A set of pieces for jazz quartet (1964) en de heksenketel van Collage no. 6 voor jazzmusici en orkest (1966). Een dankbaar podium voor zijn jazzliefde boden de filmpartituren die vanaf 1963 met grote regelmaat uit zijn pen vloeiden en die voorzagen in partijen voor prominente musici als  saxofonist Herman Schoonderwalt, pianist Frans Elsen, bassist Jacques Schols en slagwerker John Engels. Met als hoogtepunt – althans wat zijn biograaf betreft – drie memorabele minuten ‘rodeo’-klanken in de score voor Bert Haanstra’s Bij de beesten af, met bijdragen van coryfeeën als saxofonist Piet Noordijk en trombonist Erik van Lier.

Maar de gecomponeerde muziek zal het altijd weer winnen. In 1957, in dezelfde zomer dat hij als trompettist met Orkest en Dansgroep ‘The European Remember Glenn Miller’ door Europa en Noord-Afrika toert, werkt Ketting aan een op Kafka geïnspireerde opera. Hij komt er niet uit maar de noten zijn te goed om weg te gooien. Hij bouwt het om tot een orkestwerk. Titel: Due canzoni. Het stuk maakt geschiedenis als een van de eerste Nederlandse twaalftooncomposities. De muziek heeft alles te maken met Anton Webern en niets met Glenn Miller. Due canzoni zal tijdens het leven van de componist over de hele wereld nog minstens vijftig keer worden uitgevoerd.

In januari 2021 zal bij uitgeverij Prometheus verschijnen: Elmer Schönberger, Inspiratie wantrouw ik ten zeerste – Otto Ketting, een componistenleven.