Otto Ketting – een biografie in wording (4)

Als biograaf van een componist die 134 stukken op zijn naam heeft staan, moet je weten waar je aan begint. Affiniteit – op z’n zuinigst gezegd – met het oeuvre is niet genoeg. Zonder zoiets als een papieren archief, hoe minimaal ook, kun je er beter niet aan beginnen. Maar ook zonder Kettings eigen KV had ik me nauwelijks raad geweten. KV, oftewel Ketting-Verzeichnis zoals ik het zwarte boekje voor mijzelf pleeg te noemen, is een door de componist eigenhandig aangelegd overzicht van zijn oeuvre. Vanaf zijn allereerste gepubliceerde compositie heeft hij werk van zijn KV gemaakt. Dat zag er zo uit:

Op de linker pagina titel, jaar (in dit geval ook dag en maand) van voltooiing, bezetting, tijdsduur, uitgave en aanmelding bij de Buma, op de rechterpagina een overzicht van alle uitvoeringen. In het geval van werk 1, Praeludium en fuga 1952 & Fuga 1953, zijn dat er maar vier, althans tot 2012, het sterfjaar van de componist. Het eerste wat opvalt is dat de première 42 jaar op zich heeft laten wachten.

Met werk 2, Concerto per organo, ging het al beter, aangezien dat al na twee jaar tot klinken kwam. Daarna kwam de vaart er pas goed in. Zowel werk 3, een arrangement van traditionele kerstliederen, als werk 4, Sinfonietta, werd min of meer nat van de inkt in première gebracht, met dank aan het Rotterdams Kamerorkest en dirigent Piet Ketting, Otto’s vader. In de daaropvolgende twaalf maanden werd de Sinfonietta vijf keer herhaald en kort daarop, in februari 1957, dirigeerde Willem van Otterloo het werk nog eens bij het Residentie Orkest.

Het zijn allemaal gegevens die de biograaf op een presenteerblaadje krijgt aangereikt. Niet dat ze allemaal in zijn boek terechtkomen, alsjeblieft niet, maar ze geven inzicht in hoe het composities na hun première vergaat. Al die inmiddels niet of nauwelijks meer achterhaalbare feiten en feitjes – data, concertzalen, uitvoerders, dirigenten, eventuele opnames – vormen een ware Fundgrube. Dat een stuk als het Concertino voor twee trompetten en orkest waarmee Ketting in 1958 niet als componist maar als trompettist afstudeerde, in de eerste twee jaar van zijn bestaan al acht keer op de lessenaars stond van het Conservatoriumorkest van Den Haag, het Rotterdams Kamerorkest en het Radio Kamerorkest, zegt niet alleen iets over het vroege succes van de componist maar ook over het Nederlandse muziekleven in die tijd. (Er zouden nog 34 uitvoeringen volgen.) En dat de Eerste symfonie meteen in de eerste anderhalf jaar van haar bestaan zowel op de programma’s van én het Brabants Orkest (première) én het Rotterdams Philharmonisch Orkest én het Concertgebouworkest (onder de legendarische Hans Rosbaud) stond, zou nu ondenkbaar zijn.

Misschien is KV nog wel belangrijker voor de kennis van het meer efemere, grotendeels onuitgegeven werk voor film en theater dan voor de concertmuziek. Met opzet onuitgegeven, wel te verstaan, want het was naar zijn aard niet voor herhaling vatbaar. Zonder KV had ik me geen nauwkeurig beeld kunnen vormen van Kettings Werdegang in de jaren zestig, toen hij zich vooral op het schrijven van functionele muziek toelegde. De op maat gesneden noten voor een toneelstuk, dansvoorstelling of film zijn zelden bedoeld om op eigen benen te staan en houden in de praktijk op te bestaan na de laatste voorstelling of vertoning. Voor die noten is dat in de regel minder erg dan voor de biograaf. Weliswaar is van bijna al die stukken het nodige materiaal bewaard gebleven – manuscripten, vaak opnames, soms correspondentie, scenario’s, shot lists – maar met een kladmanuscript dat als enige aanduiding heeft ‘titelmuziek – film Gait Berk – Otto Ketting 1969’ had ik me zonder KV niet goed raad geweten. En van spoorloos verdwenen stukken als een Serenade voor piano uit 1956 en A set of pieces for jazzquartet uit 1964 had ik zelfs geen weet gehad.

Ketting is het format dat hij voor de beschrijving van zijn allereerste ingeboekte compositie introduceerde altijd trouw gebleven. Van de ijzeren consequentie waarmee hij een leven lang het grootboek van zijn oeuvre heeft bijgehouden, gaat de suggestie van een krachtig zelfbewustzijn en een solide zelfvertrouwen uit. Alsof hij van meet af aan doordrongen is geweest van het idee van een oeuvre in wording – een oeuvre dat ertoe zou doen, dat de tand des tijds zou weerstaan en dat ook als hij er zelf niet meer zou zijn, recht van bestaan zou hebben.

En dat heeft het.

Inspiratie wantrouw ik ten zeerste – Otto Ketting, een componistenleven verschijnt op 11 februari 2022 bij Uitgeverij Prometheus in Amsterdam.

Concerten

Ithaka-symfonie – Op 18 maart brengt het Residentie Orkest onder leiding van Antony Hermus in de nieuwe concertzaal Amare in Den Haag de Ithaka-symfonie in première. Deze symfonie is een door de biograaf tot driedelig werk voor orkest en bariton omgewerkte versie van Kettings opera Ithaka. Herhalingen op 19 maart in Den Haag en op 20 maart in TivoliVredenbrug in Utrecht.
Pas de deux – Op 6 mei 2022 geeft het Concertgebouworkest onder leiding van David Robertson een uitvoering van Pas de deux in het Amsterdamse Concertgebouw. Herhaling op 7 mei in Keulen. Meer over Pas de deux in de eerste en derde aflevering van deze blog.