De pers over ‘Inspiratie wantrouw ik ten zeerste. Otto Ketting, een componisten-leven’

‘Wat een zeldzaam voorrecht in het Nederlands een zo voortreffelijk geschreven boek over muziek te lezen.’
Bas van Putten, De Groene Amsterdammer

‘Een levendig en gezaghebbend geschreven biografie. Musicoloog, componist en romancier Elmer Schönberger schrijft uitmuntend over muziek. (…) Daarbij beheerst Schönberger de kunst van het treffende terzijde, waarmee hij de prettige indruk wekt alles te weten en alleen te vertellen wat te zake doet.’
Joep Stapel, NRC Handelsblad

‘Doordat hij alle compositorische schetsen heeft kunnen bestuderen, dringt Schönberger diep in Kettings werk door.’
Erik Voermans, Het Parool

‘Elmer Schönberger beschrijft Kettings oeuvre uitgebreid en met gezag. (…) Weinig schrijvers formuleren helderder dan Schönberger.’
Guido van Oorschot, de Volkskrant

‘Ik heb de biografie vrijwel in één adem uitgelezen.’
Erik Fokke, De nieuwe muze

‘Een grandioze aanwinst op het gebied van de Nederlandse muziek die op onze podia zo schromelijk wordt verwaarloosd.’
Maarten Brandt, opusklassiek.nl

‘Een liefdevolle, rijke en informatieve biografie (…) van Neerlands meest bekende onbekende componist.’
Arthur van Dijk, biografieportaal.nl

Ithaka Symphony – van opera tot symfonie

Ithaka Symphony

1 The empty darkness frightens me
2 Wild fantasies
3 As you set out for Ithaka

 

 

 

 

 

Foto bij interview (‘Opera is geen literatuur maar een dienstregeling’) met v.l.n.r.
Kees Hin, Otto Ketting 
en Elmer Schönberger door Roland de Beer, de Volkskrant 19.9.1986

 

Op 23 september 1986 opende het Muziektheater in Amsterdam officieel zijn poorten met een nieuw, speciaal voor de gelegenheid gecomponeerd werk van Otto Ketting, de opera Ithaka. De aanleg van het gebouw had Amsterdam sinds jaar en dag in voor- en tegenstanders verdeeld. Buiten werd fel en luidruchtig geprotesteerd, binnen heerste een verwachtingsvolle, feestelijke stemming. Het publiek, een select gezelschap van cultuurdragers, wekte de indruk meer voor elkaar en het gebouw te zijn gekomen dan voor het gebodene en was not amused door Kettings allerminst feestelijke, zich overwegend in het halfduister afspelende opera. De kritiek roemde over het algemeen de muzikale kwaliteiten van de partituur maar was matig te spreken over het dramatisch gehalte van het werk. De componist zelf was zo ongelukkig met de groots opgezette enscenering van wat in aanleg een kameropera was dat hij nooit meer een stap in het Muziektheater heeft gezet.

Ithaka is geen feestelijke spektakelopera. Het is een bedachtzaam en overwegend in halftinten getoonzet werk waarin meer gedroomd dan gehandeld wordt en het leven eerder herinnerd dan geleefd wordt. In Kettings eigen woorden: ‘Ithaka gaat niet over gebeurtenissen maar over gedachten, reflecties over wat al gebeurd is. Wat mij er zelf in interesseert is juist hetgeen niet typisch opera is, het niet-realistische, bijna zelfs het niet-dramatische.’

Samen met Kees Hin, de documentairemaker voor wie hij veel filmmuziek had gecomponeerd, ontwikkelde Ketting een libretto, waarbij uit uiteenlopende inspiratiebronnen werd geput, variërend van de Noorse schilder Edvard Munch (‘De schreeuw’) tot de Argentijnse tangolegende Carlos Gardel. Belangrijkste leidraad van de opera werd het gedicht ‘Ithaka’ van de Griekse dichter Konstantinos Kafávis, dat Ketting in de jaren zeventig had leren kennen en waar hij al heel lang plannen mee had.

Hoofdpersonen van de opera zijn een journalist met zijn dagdromen en nachtmerries, een gewezen fotomodel (Star) op zoek naar een onbereikbare liefde en een dode dichter. Tot hun tegenspelers behoren de zoetgevooisde engel des doods Angel en de schreeuwlelijk (heldentenor) Macho. Kettings oorspronkelijke voornemen om van de opera één aria te maken, ‘een soort Boléro van Ravel maar dan uitgerekt over anderhalf uur’, bleek uiteindelijk niet realistisch, al zijn in de uiteindelijke partituur de personages wel degelijk ‘zonder dat ze het zelf weten deel van één stroom waaraan geen ontsnappen mogelijk is’. Ithaka is een aaneenschakeling van solo’s. Duetten, terzetten en ensembles ontbreken.

In de rol van dramaturg ben ik in 1986 nauw betrokken geweest bij de totstandkoming en de productie van Ithaka. Omdat ik toen nog niet wist dat een dramaturg geacht wordt kritische afstand van de voorstelling-in-wording te bewaren, heb ik letterlijk elke repetitie bijgewoond, met het gevolg dat ik met de dag meer van de schoonheid van de partituur overtuigd raakte en de muziek op den duur kon dromen. Opmerkelijker is dat toen ik, werkend aan een biografie van de componist, de opera dertig jaar later terughoorde, dat nog steeds kon en er onverminderd van onder de indruk was. Als een nieuwe voorstelling van de opera er niet meer in zat, moest de muziek op een andere manier gered worden. En zo kwam de Ithaka Symphony tot stand  – met dank aan het Residentie Orkest, dat mij een opdracht verstrekte.

Bij het samenstellen van de Ithaka Symphony heb ik mij laten leiden door de wetenschap dat Ketting, voordat het operaplan er lag, lang heeft rondgelopen met het idee ‘een soort Vierde Mahler’ te componeren, een symfonie uitmondend in een toonzetting van het gedicht van Konstantínos Kafávis. De Ithaka Symphony is een poging tot reconstructie van dat oorspronkelijke idee op basis van de opera. Na twee puur instrumentale delen volgt een derde en laatste deel waarin een bariton, in de opera Poet geheten, de Engelse vertaling van de eerste regels van het gedicht zingt:

As you set out for Ithaka
Hope your road is a long one,
full of adventure, full of discovery.
Laestrygonians, Cyclops,
angry Poseidon – don’t be afraid of them
as long as you keep your thoughts raised high

Mocht het korte optreden van de bariton het al even korte optreden van Lulu in de Lulu-Suite van Alban Berg in herinnering brengen, dan is dat bijvangst. Lulu was een van de vier opera’s die er voor Ketting toe deden. (De overige waren Wozzeck, Pelléas et Mélisande en The Rake’s Progress.) Niet toevallig zingt Angel in de oorspronkelijke derde scène van de opera over Star: ‘She sounds as Lulu’, vijf lettergrepen die vlak voor het slot van het eerste deel van de symfonie als motief van vijf tonen, culminerend in een hoge b, in de trompet terugkeren. Sinds Kettings Eerste symfonie (1959) heeft de geest van Alban Berg nog maar zelden zo herkenbaar in zijn muziek rondgewaard als in Ithaka.

Een opera tot een symfonie ombouwen is zoiets als van een toneelstuk een roman maken. Zo’n symfonie moet zoveel mogelijk recht doen aan het karakter van de opera maar stelt als instrumentale vorm tegelijkertijd haar eigen eisen.
Om te beginnen brengt de Ithaka Symphony de oorspronkelijke duur van de opera terug tot ongeveer een derde.
Van de in totaal tien scènes zijn er drie (6, 7 en 9) in hun geheel gesneuveld, van de overige zeven is meer of minder materiaal in de symfonie terechtgekomen. Scènes 1, 2 en 3 liggen ten grondslag aan het eerste deel, scènes 4, 5 en 8 aan het tweede deel en scènes 8 en 10 aan het derde deel.
Dat aan de volgorde van de geselecteerde fragmenten niets gewijzigd hoefde te worden, zegt iets over de dwingende dramaturgie van de opera.

De Ithaka Symphony is een montage van operafragmenten. De lassen tussen de verschillende episoden bevatten geen andere dan door Otto Ketting gecomponeerde noten en akkoorden en zijn tot stand gebracht door het verkorten, verlengen en in elkaar schuiven van maten.
Aan de zuiver instrumentale delen van de opera – het (korte) voorspel, de dramatische climax aan het slot van het tweede deel, de uitzinnige fanfare na de baritonsolo – hoefde geen noot veranderd te worden.
In de vocale episoden zijn de stemmen eruit geschreven, nieuwe instrumenten erin geschreven en waar nodig de orkestratie herzien.

Het Residentie Orkest onder leiding van Antony Hermus brengt met medewerking van Martijn Cornet (bariton) de Ithaka Symphony in première op 18 maart 2022 in Amare (Spuiplein 150, Den Haag). Herhaling op 20 maart in TivoliVredenburg in Utrecht.

Inspiratie wantrouw ik ten zeerste

Verschenen bij Uitgeverij Prometheus op 11 februari 2022:

Paperback, 380 pagina’s
Prijs: € 35,-
ISBN: 978 90 446 4132 5

Alles moest op de schop in de jaren zestig, inclusief de muziek. Ook componist Otto Ketting (1935-2012) gooide het roer drastisch om. Hij volgde 134 composities lang zijn eigen kompas, steeds met dezelfde scherpe intuïtie voor timing en proportie en met hetzelfde feilloze gevoel voor klank. Wat hem in 1966 in het Concertgebouw nog op publieksprotesten tegen zijn Collage no. 9 kwam te staan, leverde zes jaar later een eerste onvervalste hit op: Time Machine. Deze meesterproef van high energy groeide in korte tijd uit tot een van de grootste internationale successen van het naoorlogse Nederlandse componeren. Over hits gesproken: ook wie Otto Ketting niet denkt te kennen, kent hem van zijn filmmuziek voor Haanstra’s Alleman, een van de meest bekeken Nederlandse films aller tijden.

Inspiratie wantrouw ik ten zeerste is zowel een biografie van de persoon Ketting als van zijn oeuvre. Wat die twee met elkaar te maken hebben? Zelf zei de componist over zijn getroebleerde jeugd dat die ‘toch wel op de een of andere manier mijn smaak als componist en muzikant mede bepaald moet hebben.’

 

Otto Ketting – een biografie in wording (4)

Als biograaf van een componist die 134 stukken op zijn naam heeft staan, moet je weten waar je aan begint. Affiniteit – op z’n zuinigst gezegd – met het oeuvre is niet genoeg. Zonder zoiets als een papieren archief, hoe minimaal ook, kun je er beter niet aan beginnen. Maar ook zonder Kettings eigen KV had ik me nauwelijks raad geweten. KV, oftewel Ketting-Verzeichnis zoals ik het zwarte boekje voor mijzelf pleeg te noemen, is een door de componist eigenhandig aangelegd overzicht van zijn oeuvre. Vanaf zijn allereerste gepubliceerde compositie heeft hij werk van zijn KV gemaakt. Dat zag er zo uit:

Op de linker pagina titel, jaar (in dit geval ook dag en maand) van voltooiing, bezetting, tijdsduur, uitgave en aanmelding bij de Buma, op de rechterpagina een overzicht van alle uitvoeringen. In het geval van werk 1, Praeludium en fuga 1952 & Fuga 1953, zijn dat er maar vier, althans tot 2012, het sterfjaar van de componist. Het eerste wat opvalt is dat de première 42 jaar op zich heeft laten wachten.

Met werk 2, Concerto per organo, ging het al beter, aangezien dat al na twee jaar tot klinken kwam. Daarna kwam de vaart er pas goed in. Zowel werk 3, een arrangement van traditionele kerstliederen, als werk 4, Sinfonietta, werd min of meer nat van de inkt in première gebracht, met dank aan het Rotterdams Kamerorkest en dirigent Piet Ketting, Otto’s vader. In de daaropvolgende twaalf maanden werd de Sinfonietta vijf keer herhaald en kort daarop, in februari 1957, dirigeerde Willem van Otterloo het werk nog eens bij het Residentie Orkest.

Het zijn allemaal gegevens die de biograaf op een presenteerblaadje krijgt aangereikt. Niet dat ze allemaal in zijn boek terechtkomen, alsjeblieft niet, maar ze geven inzicht in hoe het composities na hun première vergaat. Al die inmiddels niet of nauwelijks meer achterhaalbare feiten en feitjes – data, concertzalen, uitvoerders, dirigenten, eventuele opnames – vormen een ware Fundgrube. Dat een stuk als het Concertino voor twee trompetten en orkest waarmee Ketting in 1958 niet als componist maar als trompettist afstudeerde, in de eerste twee jaar van zijn bestaan al acht keer op de lessenaars stond van het Conservatoriumorkest van Den Haag, het Rotterdams Kamerorkest en het Radio Kamerorkest, zegt niet alleen iets over het vroege succes van de componist maar ook over het Nederlandse muziekleven in die tijd. (Er zouden nog 34 uitvoeringen volgen.) En dat de Eerste symfonie meteen in de eerste anderhalf jaar van haar bestaan zowel op de programma’s van én het Brabants Orkest (première) én het Rotterdams Philharmonisch Orkest én het Concertgebouworkest (onder de legendarische Hans Rosbaud) stond, zou nu ondenkbaar zijn.

Misschien is KV nog wel belangrijker voor de kennis van het meer efemere, grotendeels onuitgegeven werk voor film en theater dan voor de concertmuziek. Met opzet onuitgegeven, wel te verstaan, want het was naar zijn aard niet voor herhaling vatbaar. Zonder KV had ik me geen nauwkeurig beeld kunnen vormen van Kettings Werdegang in de jaren zestig, toen hij zich vooral op het schrijven van functionele muziek toelegde. De op maat gesneden noten voor een toneelstuk, dansvoorstelling of film zijn zelden bedoeld om op eigen benen te staan en houden in de praktijk op te bestaan na de laatste voorstelling of vertoning. Voor die noten is dat in de regel minder erg dan voor de biograaf. Weliswaar is van bijna al die stukken het nodige materiaal bewaard gebleven – manuscripten, vaak opnames, soms correspondentie, scenario’s, shot lists – maar met een kladmanuscript dat als enige aanduiding heeft ‘titelmuziek – film Gait Berk – Otto Ketting 1969’ had ik me zonder KV niet goed raad geweten. En van spoorloos verdwenen stukken als een Serenade voor piano uit 1956 en A set of pieces for jazzquartet uit 1964 had ik zelfs geen weet gehad.

Ketting is het format dat hij voor de beschrijving van zijn allereerste ingeboekte compositie introduceerde altijd trouw gebleven. Van de ijzeren consequentie waarmee hij een leven lang het grootboek van zijn oeuvre heeft bijgehouden, gaat de suggestie van een krachtig zelfbewustzijn en een solide zelfvertrouwen uit. Alsof hij van meet af aan doordrongen is geweest van het idee van een oeuvre in wording – een oeuvre dat ertoe zou doen, dat de tand des tijds zou weerstaan en dat ook als hij er zelf niet meer zou zijn, recht van bestaan zou hebben.

En dat heeft het.

Inspiratie wantrouw ik ten zeerste – Otto Ketting, een componistenleven verschijnt op 11 februari 2022 bij Uitgeverij Prometheus in Amsterdam.

Concerten

Ithaka-symfonie – Op 18 maart brengt het Residentie Orkest onder leiding van Antony Hermus in de nieuwe concertzaal Amare in Den Haag de Ithaka-symfonie in première. Deze symfonie is een door de biograaf tot driedelig werk voor orkest en bariton omgewerkte versie van Kettings opera Ithaka. Herhalingen op 19 maart in Den Haag en op 20 maart in TivoliVredenbrug in Utrecht.
Pas de deux – Op 6 mei 2022 geeft het Concertgebouworkest onder leiding van David Robertson een uitvoering van Pas de deux in het Amsterdamse Concertgebouw. Herhaling op 7 mei in Keulen. Meer over Pas de deux in de eerste en derde aflevering van deze blog.

Otto Ketting – een biografie in wording (3)

Otto Ketting, 1953

Halverwege Gestold koraal, het filmportret dat Kees Hin in 1996 van zijn lijfcomponist en vriend Otto Ketting maakte, laat de componist op een oude slingergrammofoon een 78-toerenplaatje horen van een van de schoolbandjes waarin hij trompet heeft gespeeld. Het is The Crazy Rhythm Boptet, de band van het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam. Een van de nummers die de jongens op 13 december 1952 in Klankstudio Pekel, Mathenesserlaan 392 te Rotterdam, hebben laten opnemen, is een eigen compositie van Otto, Boogie Riff.

Krap tien jaar later – hij is pas 26 maar al doorkneed in zowel de amusements- als symfonische praktijk – neemt hij definitief afscheid van zijn instrument, maar dankzij Kees Hin kunnen we hem nog altijd die ene solo horen blazen. In de documentaire zien we de zestigjarige componist met een mengeling van geamuseerdheid en vertedering naar zijn 43 jaar jongere ik luisteren. Hij had zichzelf als improvisator ‘niet zo best’ gevonden, maar er wel volop van genoten om als zeventienjarige op het podium te staan. Stel je voor, ‘niet meer dan drie noten kunnen spelen en dan merken dat het toch overkomt’. In The Crazy Rhythm Boptet speelde ook de jonge Hans Sleutelaar, dezelfde die later als een van de ‘Zestigers’ furore zou maken met het eenregelige gedicht ‘Wollt ihr die totale Poesie?’. Met z’n Stan Getz-achtige sound was Sleutelaar volgens Ketting eigenlijk de enige die om aan te horen was.

still uit ‘Gestold koraal’ van Kees Hin

Toen het plaatje werd opgenomen zat Otto nog maar kort op het Erasmiaans Gymnasium. Eerder dat jaar was hij bij zijn vader in Rotterdam ingetrokken en had hij zijn moeder en de stad Amsterdam de rug toegekeerd. Ook op zijn Amsterdamse school, het Barlaeus Gymnasium, had hij in de schoolband gespeeld. The Continentals noemden ze zich, geheten, naar het populaire, bijna gelijknamige nummer van George Shearing.

Gedurende de laatste maanden op het Barlaeus hield Otto een dagboek bij. Hij noteerde zijn lievelingscomponisten (Bach, Mozart, Haydn, Debussy, Ravel, Stravinsky, Pijper), deed verslag van composities die hij op papier probeerde te krijgen en memoreerde ‘de soms zeer redelijke prestaties’ van de schoolband. Geen twijfel dat zijn hart bij de gecomponeerde muziek lag, maar de jazz trok hard aan hem. Niet toevallig droeg hij het eerste deel van zijn officiële opus 1 – Praeludium en fuga 1952, het werk van een gymnasiast – aan de ‘hevig bewonderde’ bebop-pianist George Wallington op.

Een goed jazznummer was hem liever dan een slechte symfonie, zou het Algemeen Dagblad nog in 1965 uit zijn mond noteren. Dat Miles Davis en Stan Kenton zijn helden waren, verbaast niet. In de karakteristieke, door blazers gedomineerde Ketting-sound resoneert zijn liefde voor bigband. Wie weet had de coda van Time Machine wel anders geklonken als hij niet op 5 februari 1972, een maand voordat hij het stuk voltooide, in het Amsterdamse Concertgebouw dat ene concert van Kenton had bijgewoond.

Al in 1961 was het muziekcriticus Rutger Schoute in zijn recensie van Kettings orkestwerk Pas de deux opgevallen dat de tutti van koperblazers vele klanken bevatten ’die in de grote bezetting van Stan Kenton en Miles Davis niet uit de toon zouden vallen’. Wie de schetspagina van Pas de deux, zoals weergegeven in de eerste aflevering van deze Ketting-blogs (22 december 2020), goed bekijkt, ziet helemaal rechtsboven de woorden “jazz”-inlas staan. Een blik op de definitieve partituur leert dat zes maten met blokakkoorden voor trompetten en trombones het jazzy extraatje vormen waar de componist op dit punt van het werk kennelijk behoefte aan had.

Zo vreemd is het dus niet dat het grote publiek, toen Otto Ketting een maand eerder in het veelbekeken NCRV-programma Muziek voor u! zijn televisiedebuut maakte, hem niet als componist van ‘kunstmuziek’ maar van sappige bigbandklanken leerde kennen. Première heette het stuk en de 26-jarige componist dirigeerde het zelf. Het was vooralsnog de eerste en de laatste uitvoering maar in het Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum is de zestig jaar oude opname nog altijd te zien en te horen.

Pi Scheffer en Otto Ketting in ‘Muziek voor u!’4 november 1961

Er zou in de loop der jaren nog veel jazz, “jazz”, jazzyness klinken bij Ketting, direct en indirect, als stijlcitaat en als echo, met als uitersten de mellow klanken van A set of pieces for jazz quartet (1964) en de heksenketel van Collage no. 6 voor jazzmusici en orkest (1966). Een dankbaar podium voor zijn jazzliefde boden de filmpartituren die vanaf 1963 met grote regelmaat uit zijn pen vloeiden en die voorzagen in partijen voor prominente musici als  saxofonist Herman Schoonderwalt, pianist Frans Elsen, bassist Jacques Schols en slagwerker John Engels. Met als hoogtepunt – althans wat zijn biograaf betreft – drie memorabele minuten ‘rodeo’-klanken in de score voor Bert Haanstra’s Bij de beesten af, met bijdragen van coryfeeën als saxofonist Piet Noordijk en trombonist Erik van Lier.

Maar de gecomponeerde muziek zal het altijd weer winnen. In 1957, in dezelfde zomer dat hij als trompettist met Orkest en Dansgroep ‘The European Remember Glenn Miller’ door Europa en Noord-Afrika toert, werkt Ketting aan een op Kafka geïnspireerde opera. Hij komt er niet uit maar de noten zijn te goed om weg te gooien. Hij bouwt het om tot een orkestwerk. Titel: Due canzoni. Het stuk maakt geschiedenis als een van de eerste Nederlandse twaalftooncomposities. De muziek heeft alles te maken met Anton Webern en niets met Glenn Miller. Due canzoni zal tijdens het leven van de componist over de hele wereld nog minstens vijftig keer worden uitgevoerd.

In januari 2021 zal bij uitgeverij Prometheus verschijnen: Elmer Schönberger, Inspiratie wantrouw ik ten zeerste – Otto Ketting, een componistenleven.

Stravinsky – oren van een vos

Programmamaker Bas Hagemeijer en presentator Hans Haffmans maakten voor NPO Radio4/NTR Igor Stravinsky – de oren van een vos, een vijfdelige podcast over een componist met een caleidoscopisch oeuvre die zichzelf keer op keer opnieuw uitvond. Aan het woord komen violiste Liza Ferschtman, dirigenten Jurjen Hempel en Daniel Reuss, schrijver en componist Elmer Schönberger en slavist Sjeng Scheijen. De podcast is rijkelijk gelardeerd met muziekvoorbeelden.

Igor Stravinsky – oren van een vos

Hier rust Schönberger

 

Op 7 mei is bij Uitgeverij Plantage in Leiden verschenen: Hier rust Schönberger – notities over muziek. Nee, het zal niet mijn laatste boek zijn, al zou de titel anders kunnen doen vermoeden.

…Was ik Ovidius, ik had in mijn Metamorfosen een hoofdstuk gewijd aan de man die muziek wordt. Hij luistert en luistert, eerst alleen met zijn oren, maar op den duur ook met zijn buik, zijn handen en zijn voeten. In zijn binnenste beginnen snaren mee te trillen en langs zijn ruggengraat trekken trage sinusgolven. Op een goed moment kan hij de muziek zelfs ruiken en proeven, maar voor de smaak en de geur kan hij geen woorden vinden, behalve vigoroso en soave. Als ook zijn kruin muziek is geworden, is de gedaanteverandering compleet. Voortaan doemt hij, net als de muziek naar wier beeld en gelijkenis hij is herschapen, uit dezelfde stilte op waarin hij later weer verdwijnt. Die stilte is een kier in de tijd.

Hier rust Schönberger is een keuze uit de mini-essays die ik tussen 2005-2018 heb geschreven voor Preludium, het tijdschrift van het Concertgebouw en –orkest. Het zijn verkenningen op het snijvlak van persoonlijke geschiedenis en muziekbeschouwing, vrijer en intiemer van toon dan veel lezers van mij gewend zijn. De stukjes mogen nog zo beknopt zijn, ik beschouw ze als een essentieel onderdeel van mijn werk.
Hier rust Schönberger bestaat uit 54, thematisch geordende notities, verdeeld over zes hoofdstukken: ‘Antecedenten’, ‘Een en al oor’, ‘Klinkende namen’, ‘Memorabilia’, ‘ Vergeetboek’, ‘Diverse feiten’.

Elmer Schönberger, Hier rust Schönberger – notities over muziek. Uitgeverij Plantage, Leiden 2021. 93 Pagina’s, € 17,50. 

Bestellen: https://www.plantageleiden.nl/details.php?title=Hier-rust-schonberger-notities-over-muziek.

Otto Ketting – een biografie in wording (2)

Op donderdag 18 augustus 1955, tussen één minuut na middernacht en veertien minuten over een, noteert de 19-jarige componist Otto Ketting te Amsterdam het eerste deel van wat gedurende de volgende driekwart jaar tot een zevendelig pianowerk zal uitgroeien. Wals staat erboven en ook: ‘in het 12-toon systeem’. Het is zijn eerste officiële poging om te componeren volgens de regels van Schönbergs Methode der Komposition mit zwölf nur aufeinander bezogenen Tönen.

Hoewel Ketting in zijn latere leven de gegevens van zijn oeuvre nauwkeurig bijhield – van elk stuk noteerde hij onder meer de exacte datum van voltooiing – heeft hij plaats en tijd van genese nooit meer zo precies gefixeerd als in het geval van deze Wals. Tot op zekere hoogte is een dergelijk vereeuwigen van de scheppingsdaad van dezelfde mythomane orde als de bij kinderen populaire manier van adresseren die begint met een straatnaam en eindigt met ‘heelal’. Toch is hier meer aan de hand. De jonge componist was zich ervan bewust dat hij in dit pianostukje iets deed wat hij nog nooit had gedaan: hij betrad terra incognita.

Met Schönberg was in 1951 de grondlegger en langstlevende componist van de Weense school gestorven, maar anders dan in omringende landen (denk aan Boulez, Stockhausen, Nono, Goeyvaerts) deinsde in Nederland het toondichtend deel der natie vooralsnog in meerderheid terug voor een Auseinandersetzung met diens nalatenschap. Zeldzame uitzonderingen waren Kees van Baaren en zijn leerling Theo Bruins, die zich in 1952 beiden met dodecafonisch georiënteerde composities presenteerden, de eerste met een Septet dat nog sterk naar Pijper klonk, de laatste met een pianoconcert. Dat pianoconcert maakte grote indruk op Ketting, die getuige was van de Amsterdamse première. Jaren later beschreef hij zijn ‘verbijstering voor de lef dat iemand zoiets durfde te schrijven’. Zelf was hij pas drie jaar later zo ver, ‘zij het met een bang gemoed en bevend hart.’ Dat was dus die achttiende augustus 1955, tussen 0.01 en 1.14.

De auteur van de Wals was geen beginneling meer. Componeren deed hij al vanaf zijn veertiende, aanvankelijk vooral stukjes met Franse titels. In het dagboek dat hij op zijn zestiende bijhield maakte hij niet alleen melding van het wel en wee op het Amsterdamse Barlaeus Gymnasium maar ook van de composities die hij onder handen had – een stuk voor strijkorkest, houtblazers en slagwerk bijvoorbeeld, maar ook een instrumentatie van een walsje van Poulenc, waaraan hij ter actualisering enkele moderne akkoorden heeft toegevoegd. Een jaar later al, op zijn zeventiende, voltooit hij zijn officiële opus 1, Preludium en fuga, dat in 1957 samen met een niet veel later voltooide Fuga wordt uitgegeven door Donemus. En nog maar enkele maanden vóór het twaalftoonwalsje zette hij de dubbele streep achter zijn eerste orkestwerk (opus 4), een Sinfonietta waarvan zijn vader Piet Ketting tussen november 1954 en november 1955 met zijn Rotterdams Kamerorkest zes uitvoeringen geeft.

In de daaropvolgende jaren is het hard, heel hard gegaan met de dodecafonie en het daaruit voortvloeiende serialisme, ook in Nederland. Ketting zelf hield het al gauw voor gezien. Hij had aan alle drie de componisten van de Weense School op soevereine wijze eer bewezen – aan Webern in Due canzoni, waarmee hij in 1958 de Gaudeamus-prijs won, en een jaar later aan Alban Berg in zijn Eerste symfonie – maar aan het strenge, reeks op reeks op reeks stapelende serialisme waarin de Europese avant-garde de principes van Schönberg veralgemeniseerde had hij weinig boodschap.

Geen mooier bewijs van de scepsis waarmee hij de almaar duizelingwekkender luchtkastelen en spiegelpaleizen bezag waarin vele van zijn generatiegenoten zich verschansten, dan de hilarische felicitatie die hij op 4 juni 1961 aan Louis Andriessen stuurt. Brian Ferneyhough (voor wie de naam nog wat zegt) had er nog een puntje aan kunnen zuigen.

The Apollonian Clockwork Rewound

Elmer Schönberger, ‘The Apollonian Clockwork Rewound’
in: Stravinsky in Context, edited by Graham Griffiths, Cambridge University Press, december 2020

A reflection on The Apollonian Clockwork. On Stravinsky
by Louis Andriessen and Elmer Schönberger, (Oxford 1989), p.6.

 

In the long term all art is doomed to become only a matter of taste. One simply likes or dislikes and, depending on one’s musical literacy, it’s possible to substantiate one’s preferences. If we were, at this point in history, to characterise Brahms’s music as did Hugo Wolf in 1890, as ‘die Melancholie des Unvermögens’ (the melancholy of inability), we would appear rather foolish. Exactly the same would apply today if listeners, whether professional or amateur, were to concur with the music critic Pierre Lalo who judged The Rite of Spring to be the quintessence of ‘the cult of the wrong note’. After a composer’s death all polemics about the significance of his music inevitably gradually diffuse; differing views wither away and turn into differing tastes. In due time broad consensus is achieved on the composer’s importance, as reflected in concert repertoire, programme notes and newspaper reviews. Individual but also national tastes may differ, but, when it comes to Stravinsky, Petrushka and The Rite are canonic and broadly admired, Apollo and Orpheus are OK, Canticum Sacrum and Threni are at least respected, though hardly loved. While shifting cultural values will have their mark on the pecking order within his oeuvre (e.g. his so-called neoclassical works currently seem to enjoy higher esteem than thirty or more years ago), the composer has achieved a solid and undisputed place in the Great Masters’ hierarchy. Public debate as to the qualities of his music has petered out. (…)